Page 3

Gisteren sprak ik in Brussel Alex Gaschard, mede oprichter van het eerste Belgische peer2peer auto deel platform CarAmigo. Nu zou je kunnen denken dat er niet veel variatie kan zitten in de verschillende peer2peer auto deel platformen die in de verschillende landen actief zijn, maar niets is minder waar. 

Hier onder heb ik een korte analyse gemaakt van de in mijn ogen meest interessante onderdelen van het gesprek. Heb je wat meer tijd? Check dan het gehele interview (30 minuten) op video of in de auto via Soundcloud. En deel dan ook gerust jouw bevindingen onder dit bericht.

 

Opbouw en financiering van de eigen organisatie

Veel mensen hebben de illusie dat platformen in de deeleconomie -en scale-ups in het algemeen- worden gerund door studenten of net afgestudeerden zonder enige ondernemerservaring. Deloitte Fast Ventures en THNK deden onderzoek naar de succesfactoren van 400.000 start-ups uit 24 landen en kwamen tot de volgende conclusie: “In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn het de ervaren ondernemers die in de meeste gevallen aan het roer staan van de zogenaamde scale-ups.” 

Ook bij CarAmigo is dit het geval. Alex en zijn medeoprichters hebben alleen de nodige ondernemerservaring. Hun eerdere bedrijf is nog operationeel (en winstgevend) en is op dit moment de partij waar het geld vandaan komt om CarAmigo te laten groeien. Wanneer ik van andere ondernemers hoor hoeveel tijd zij als founder kwijt zijn aan het zorgen dat het investeringsgeld binnen komt en de aandeelhouders tevreden blijven lijkt mij de situatie van Alex ideaal. 

In het kantoor in Brussel werken 3 en binnenkort 4 medewerkers aan het platform, maar ze hebben ook eigen medewerkers in Noord Afrika en Bulgarije zitten. Niet omdat de arbeidskrachten daar zo goedkoop zijn, maar omdat deze mensen (deels ook Belgen) daar toevallig wonen.

Groeien via sterke partners

Interessant aan CarAmigo vindt ik de manier waarop ze vanaf dag één hun model hebben opengesteld voor samenwerking met andere partners. Zo sloot het al snel een partnership met Touring, de Belgische ANWB. Niet alleen zorgde dit voor een (zeer gewenste) toegevoegde waarde voor de gebruikers, maar het gaf CarAmigo ook toegang tot een enorme groep potentiële gebruikers. Ook bijzonder is het partnership dat CarAmigo sloot met Ford. Niet alleen promoot Ford in België tijdens aankoop en reparaties de mogelijkheid tot het verhuren van een auto via CarAmigo, maar ook zijn er ideeën om mensen die op vakantie gaan hun auto bij de garage te laten parkeren, waar de garage de uitgifte van de peer2peer huur auto voor haar rekening neemt. 

Bij iedere samenwerking is er voor beide partijen een duidelijke win-win. En dan niet alleen in de marketing, maar ook op financieel vlak. Zo verdient Touring aan de transacties op CarAmigo en pakt Ford een percentage van de verhuur via haar klanten. Slimme zet, want zo bouw je een duurzame relatie en business model op en loop je niet het risico dat het puur een marketing truc is die na verloop van tijd is uitgewerkt. 

Verantwoordelijkheid en toegevoegde waarde van het platform

Ik heb veel discussies en gedachten over de verantwoordelijkheid van platformen en de manier waarop platformen ook op lange termijn van toegevoegde waarde kunnen blijven voor alle betrokken stakeholders. Toegevoegde waarde staat immers gelijk aan bestaansrecht. Naast de sterke partnerships, die ook in grote mate bijdragen in het vertrouwen van gebruikers in het platform, gaat CarAmigo ook een stap verder. Zo hebben zij met de Belgische fiscus en zogenaamde ‘ruling’ afgesloten waardoor de fiscale consequenties voor verhuurders via CarAmigo helder zijn. Je mag 200euro per maand bijverdienen (2.400euro per jaar) en je auto (maximaal 1) maximaal 60 dagen verhuren per jaar. Interessant is dat deze ruling is geïnitieerd door het platform zelf en ook alleen geldt voor verhuur via CarAmigo. Of dat laatste wenselijk is laat ik in het midden: uiteindelijk lijkt het voor iedereen beter wanneer dit per branche wordt geregeld in plaats van per platform. Maar voor CarAmigo is het zeker een mooie USP. Het feit dat zij dit hebben afgesproken voor een heel land ipv per gemeente (wat je bij Airbnb bijvoorbeeld ziet) is uniek. 

Internationalisering door samenwerking

Alex heeft een duidelijk beeld van de toekomst van de peer2peer auto deel markt: deze moet internationaal. Zodat je op vakantie ook makkelijk een auto van iemand anders kunt huren. Hiervoor zijn twee mogelijkheden: alles zelf doen of samenwerken. CarAmigo is op dit moment in gesprek met een aantal andere platformen in andere landen om het aanbod en de profiel data met elkaar uit te wisselen. Zij zitten immers geen directe concurrenten van elkaar. Aan de andere kant denkt Alex ook (en vast niet alléén nadenken) over uitbreiding naar andere landen. Zijn voorkeur hebben de kleine niet ‘usual suspect’ landen. 

Data delen met de overheid

De laatste tijd hoor ik steeds meer verhalen dat de overheid maar al te graag data van de platformen wil hebben om de regulering en belasting eenvoudiger uit te voeren. Een platform heeft immers alle gebruikersdata, waardoor regulering en belasting eenvoudig centraal kunnen worden geregeld en afgedragen. Alex is de eerste ondernemer die ik heb gesproken die hier voor open staat. Hij ziet het als een extra toegevoegde waarde (ontzorgen) voor de gebruikers en een manier om ook de overheid als stakeholder te betrekken. Dat dit in het kader van privacy een goede discussie waard is, dat lijkt mij duidelijk. Uitdaging hierin is dat er voor iedere situatie wel iets goeds en slechts te bedenken is en de waarheid niet in het midden ligt. To be continued dus….

Al met al ben ik onder de indruk wat Alex en zijn collega’s in een relatief korte termijn hebben neergezet en de gekozen strategie. Sowieso een platform om in de gaten te houden dus. 

by -

De deeleconomie is een kweekkamer voor bedrijven met exponentieel groeiende waarderingen en gebruikersaantallen. Daarmee groeide in 2015 ook het aantal boeiende confrontaties met de gevestigde orde. Wat gaat 2016 brengen? Deeleconomie-expert Martijn Arets blikt vooruit.

1. ‘Traditionele’ techbedrijven stappen in de deeleconomie

Waar in 2015 het domein van de deeleconomie werd beheerst door nationale en internationale start- en scale-ups, zullen in 2016 ook bekende ‘traditionele’ namen in de deeleconomie stappen. Bestaande corporates komen de schrik van de disruptie te boven en ontdekken dat ook zij een graante mee kunnen pikken in deze ontwikkelingen. Of beter gezegd: zichzelf opnieuw moeten uitvinden om in de toekomst nog relevant te zijn.

De automotive branche zal hier, net als in 2015, het voortouw nemen. Logisch: de ontwikkelingen van zelfrijdende auto’s zorgt in deze branche voor de urgentie om te innoveren. Zo lanceerde BMW een autodeelplatform voor haar klanten, lanceerde Toyota een autohuurservice voor Uber-chauffeurs en bouwde Daimler het Car2Go programma uit.

2. Groter aanbod, lagere drempels

De circa 150 deeleconomie-platformen die actief zijn in Nederland zullen in 2016 flink wat concurrentie erbij krijgen. Buitenlandse spelers komen de grens over en gratis open source-platform software zoals Sharetribe maken de drempel om nieuwe ideeën op de markt te zetten lager dan ooit.

Aangezien kritieke massa een van de grootste uitdagingen blijft om een deeleconomieplatform goed te laten presteren, verwacht ik dat ook online platformen met een bestaande gebruikersgroep als Google, Facebook en Waze dit domein zullen betreden. Google heeft immers al in flink wat initiatieven geïnvesteerd en kan op veel plekken in de keuken meekijken.

Facebook vroeg onlangs een patent aan dat erop kan duiden dat het bedrijf een meerijdt functie zal integreren. In Israël experimenteert Waze met de meerijdt-app RideWith om in potentie de concurrentie met het Franse BlaBlaCar aan te gaan.

3. Groei via partners en API’s

Waar veel platformen in 2015 voornamelijk gebruikers naar de eigen website probeerden te lokken, zal in 2016 de (noodzakelijke) groei komen door het openstellen van het platform voor andere partijen, veelal door het inzetten van API’s. Uber is hierin zover ik kan zien het meest actief; zeker wanneer zij ook in Nederland pakketbezorging gaan faciliteren kan dit voor een enorme groei zorgen.

4. Meer on-demand werkplatformen

Na een woning (Airbnb) en auto (Uber en SnappCar) zijn jouw skills jouw meest waardevolle, vermarktbare asset. Dit jaar zullen platformen die korte klusjes, ook wel ‘gigs’ genoemd, een groeispurt maken. Boodschappen laten bezorgen, hond uitlaten, schoonmaken en kleine klusjes in huis – noem maar op.

Dit alles voor een paar euro en binnen een paar seconden via een slimme app geregeld. Met de groei van dit type platformen, waar veelal laag opgeleide ‘workers’ op zitten die weinig alternatief hebben om elders aan de slag te gaan, zal ook de discussie over deze ‘nieuwe’ vorm van arbeid groeien.

Lees ook: De Gig Economy: weg met de werknemer (Sprout magazine)

5. De markt wordt volwassen

Met waarderingen van vele miljoenen tot vele miljarden zullen veel platformen zich niet meer achter de term ‘disruptive’ kunnen verschuilen en verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun daden. Oftewel: de markt wordt volwassen.

In 2016 zal de term deeleconomie, wat staat voor het fenomeen dat consumenten elkaar tijdelijk gebruik laten maken van hun onderbenuttte consumptiegoederen (Frenken en Meelen, 2014), worden ingeruild voor het beter passende ‘collaborative economy’.

Dit artikel verscheen eerder op Sprout.nl

 

Gisteren verscheen in NRC.next het artikel ‘de lessen van Uber en Airbnb’, geschreven door Wouter van Noort. Aangezien ik met de tot nu toe voor Crowd Expedition ruim 250 experts en ondernemers in dit domein interviewde heb ik het stuk met veel interesse gelezen. En de lessen in het stuk hier onder in de cursieve passages geanalyseerd en aangevuld.

De lessen van Uber en Airbnb

VERSTORING EN VERNIEUWING – 2016 wordt het jaar waarin marktleiders in allerlei sectoren moeten vechten tegen start-ups. Zij kunnen van de taxiwereld en de hotelsector leren hoe ze zich niet moeten laten verrassen.

Overal waar Uber komt, komt er herrie. Rechtszaken, protesten van taxichauffeurs, maar ook wetten die worden veranderd. De taxi-app uit Silicon Valley heeft de laatste maanden een record aan investeringen binnengesleept: de teller staat op ruim 6 miljard euro. Het afgelopen jaar groeide het bedrijf definitief uit van brutale start-up tot controversieel fenomeen.

Uber staat bovendien voor een ontwikkeling die veel verder reikt dan de taxibranche. Vaak wordt Uber in één adem genoemd met Airbnb. De site waarop mensen hun woonruimte verhuren maakt een vergelijkbare stormachtige opmars en laat op zijn beurt de hotelbranche zweten. Taxicentrales raken steeds verder in de problemen, en ook grote hotelketens merken de opkomst van Airbnb in hun omzet.

„Zulke schokken zijn te verwachten in nog veel meer branches”, zegt Annet Aris, universitair hoofddocent digitale strategie aan de Franse universiteit INSEAD en commissaris bij onder meer chipmachinebouwer ASML en reisbedrijf Thomas Cook. Want 2015 was niet alleen het jaar van Uber, maar ook van andere zogeheten unicorns : piepjonge digitale bedrijven die plots miljarden waard werden. Die snelle groeiers zijn overal te vinden, van de zorg tot winkels en van de maakindustrie tot de banken. In 2016 zal moeten blijken of die waarderingen overeind blijven, en hoe de gevestigde marktorde reageert op al die verstoorders. Wat kunnen zij leren van de fouten van de taxi- en hotelbranche?

Martijn: tegenover elke succesvolle startup staan misschien wel 10.000 niet succesvolle startups. Blind vechten lijkt mij dan ook geen goede strategie. Vechten is sowieso niet (altijd) de juiste reactie. Een start-up kan groeien omdat ZIJ blijkbaar een kans oppakken die JIJ laat liggen. Leer hier van en doe er iets mee. De vervolg reactie kan zijn: vechten (= korte termijn politiek), samenwerken, kopiëren (vaak niet succesvol), investeren of overnemen. De dreiging van start-ups (de genoemde voorbeelden zijn overigens veelal schale-ups) verschilt ook per branche. Bij Uber en Airbnb zie je dat een groot nieuw platform ‘stand alone’ concurreert met een gefragmenteerde markt.  Zij hebben de bestaande markt dus niet nodig om te groeien. De bestaande beleidsmakers overigens wel. Bij veel andere start- en schale-ups zie je dat nieuwe initiatieven in een niche springen, dit vervolgens briljant doen, maar in veel gevallen de partijen in de bestaande markt nodig hebben als klant of partner om te kunnen groeien. Dit zie ik veel gebeuren in de financiële dienstverlening. Voor iedere markt dus weer andere zorgen en oplossingen.

Dat dit soort ondernemingen ook andere branches gaat opschudden, dat is een kwestie van tijd. In de consumentenmarkt zien we dat eerst het laaghangende fruit wordt geplukt, maar daarna ook andere markten aan de beurt zijn. Mensen raken ook steeds meer gewend aan het gemakt en snelheid. Dat gaan ze vervolgens ook op andere vlakken verwachten.

 

De hier boven genoemde ‘disruptive’ houding van Uber slaat overigens niet op de houding van Airbnb. Deze laatste doen het met een stuk minder lawaai en agressie. De founder van Airbnb wordt er op zijn zachtst gezegd dan ook niet erg blij van om overal in één adem met Uber genoemd te worden.

Zonder openheid over kwaliteit verlies je

Vroeger wist je niet of een taxichauffeur een beetje wilde deugen voordat je instapte. En als je bij een wildvreemde in het buitenland zou logeren, moest je ook maar afwachten hoe dat zou aflopen. Via de online-beoordelingssystemen in Airbnb en Uber laten gebruikers en aanbieders constant weten of de ander zich een beetje heeft gedragen en hoe de kwaliteit van de dienst was. Iedereen beoordeelt elkaar met een aantal sterren, van 1 tot 5.

Dit soort reputatiesystemen geeft duidelijkheid over de kwaliteit van diensten en producten en zorgt bovendien voor het benodigde vertrouwen om gebruikers te trekken: als iemand na veel beoordelingen vier sterren heeft, zal het wel oké zijn wat hij aanbiedt.

In nog allerlei sectoren is die duidelijkheid er niet. Neem kappers: hoe weet je van tevoren hoe goed die knippen? Of schoonmakers, of schoonheidsspecialisten: ook daar is het vaak maar afwachten wat de kwaliteit is. Maar dezelfde ondoorzichtigheid speelt bij artsen en leraren: ook in die beroepsgroepen is amper betrouwbare informatie te vinden over individuele verschillen.

„Als er in een industrie nu een gebrek is aan transparantie, kan het heel snel gaan”, zegt Aris. „Als die openheid niet vanuit de sector zelf komt, wordt die waarschijnlijk vanzelf gebracht door een nieuwe toetreder.”

Martijn: drie punten:

1. Zijn deze platformen werkelijk op en en transparant? Als gebruiker krijg je misschien wel dat gevoel, maar uiteindelijk hebben wij geen idee welke variabelen worden meegerekend in het tot stand komen van een reputatie score. Zijn dit alleen de beoordelingen van de gebruikers? Of ook bij Uber de rijstijl van de chauffeur? De app geeft immers ook toegang tot de GPS die niet alleen functioneel gebruikt hoeft te worden. Of de invloed dat deze persoon heeft op social media? Of……. We hebben simpelweg geen idee. Dit gebrek aan transparantie is vooral een probleem wanneer een platform een monopolie positie bereikt en je als aanbieder of gebruiker niet om het platform heen kunt. Ik ben (zeer waarschijnlijk) een keer geblokt door Uber omdat ik mij minder positief uitte via Twitter over dit bedrijf. Na een blog en een tweet over dit voorval kon ik binnen een uur opeens weer gebruik maken van de app. Toeval? Of toch…..

 

2. Zijn de beoordelings-mechanismen die wij gebruiken wel goed? In het hier boven genoemde voorbeeld wordt een beoordeling van 4 sterren als ‘oké’ gezien. In het artikel ‘Uber’s internal charts show how its driver-rating system actually works’ van Business Insider kun je lezen dat een Uber chauffeur die onder de 4,6 sterren zit in de ‘danger zone’ zit. Niet oké dus. Het is duidelijk dat een systeem met 5 sterren geen ideaal systeem is. Daarnaast is reputatie en kwaliteit heel lastig in een eenvoudig reputatie systeem te stoppen. Immers: de beleving van reputatie en kwaliteit is enorm persoonsgebonden en afhankelijk van de context. Heb je een rot dag? Daar kan die chauffeur ook niets aan doen. En ook de beleving van kwaliteit is voor iedereen anders. Ik houd er van dat een chauffeur flink gas geeft en een praatje maakt, iemand anders heeft daar weer een heel ander kwaliteitsbeeld bij. Daarnaast zijn valse reviews eenvoudig te bestellen op internet. Nog geen waterdicht systeem waar ik mijn pijlen op zou richten.

 

image

3. Sinds wanneer neemt de mens rationele beslissingen? Alle reputatie systemen gaan er van uit dat wij als mens rationele beslissingen nemen. Maar de mens is verre van rationeel. Zie het 1 minuut durende video fragment met een interview met de founder van een platform die uitlegt dat zij jouw ‘trusted neighbour’ willen zijn. Voorbeeld: wij hebben onze oppas ontmoet op de jaarlijkse buurt bbq. Persoon X die wij daar ontmoetten wist wel iemand. Maar wie zegt dat persoon X inzicht heeft in al het aanbod in de buurt? Of een achtergrondcheck heeft gedaan? Misschien heeft de oppas wel een crimineel verleden. Toch zeiden we blind ja. Niet op basis van rationeel, maar op basis van onderbuik. Wanneer we alleen nog maar rationele keuzes gaan maken, dan kan ik je beloven dat we in een hele nare wereld terecht komen.

Samenvattend: de systemen zijn niet betrouwbaar, verre van perfect en houden met veel variabelen geen rekening. Aandachtspuntje dus.

  1. Maak een einde aan overbodige capaciteit

De tarieven van taxi’s zijn mede zo hoog doordat ze vaak stilstaan of doelloos rondrijden. Hotels zijn duur doordat niet altijd alle kamers bezet zijn. Met behulp van de algoritmes van Uber en Airbnb is verspilling door overbodige capaciteit in kaart te brengen: voorheen stond woonruimte leeg als mensen met vakantie gingen. Met Airbnb kun je die nuttig gebruiken.

Ook in de industrie en de logistiek wordt het nodige verspild. Er gaan regelmatig lege vrachtwagens ergens heen om een lading op te halen. Of er staan dure machines in fabrieken die een groot deel van de tijd ongebruikt zijn. „Dat kun je veel slimmer invullen als je de communicatie goed regelt en de beschikbare capaciteit met behulp van algoritmes beter benut”, zegt Aris. Via sensoren die in contact staan met internet kun je bijvoorbeeld meten hoe vaak machines in gebruik zijn, of waar een vrachtwagen precies is. Dat was vroeger veel moeilijker. De deeleconomie, maar dan tussen bedrijven in plaats van consumenten. Dat dit soort diensten in zakelijke markten tot nu toe achterblijft komt volgens Aris vooral doordat tussen bedrijven hardere en ingewikkelder afspraken nodig zijn.

De laatste tijd zie je bijvoorbeeld dat autofabrikanten door beginnen te krijgen dat het slim is om een eind te maken aan overbodige capaciteit. Die investeren massaal in digitale platforms voor deelauto’s, die ervoor kunnen zorgen dat auto’s efficiënter worden benut en minder vaak stilstaan. Dat gaat op korte termijn ten koste van hun eigen omzet, want dan zijn er minder auto’s nodig. Maar als ze zelf niks doen tegen het ongebruikt laten van al die auto’s, zal een concurrent het doen.

Martijn: helemaal eens dat deze platformen en technieken ons helpen om resources (in de meest brede zin van het woord) effectiever te benutten. Bedrijven lopen inderdaad nog flink achter, aangezien dit soort veranderingen over veel afdelingen gaat. En eigenlijk alleen kans op succes hebben wanneer de top deze transitie ondersteund. Omdat deze veranderingen voor de ene afdeling een zege kunnen zijn en voor de andere een vloek. Er is dus een overall strategische view en support nodig. Techniek is dus zeker niet de bottleneck in dit proces. De mens wel. Zoals altijd. (en misschien is dit maar goed ook)

Bedrijven denken over het algemeen ook meer (of beter) na over de mogelijke risico’s. Consumenten niet. Als Airbnb zegt dat je huis is verzekerd, dan knikken wij allemaal braaf ja. Maar wat die verzekering nu precies inhoudt? En welke risico’s worden afgedekt? We hebben geen idee.

Dat de autofabrikanten voorop lopen is niet zo heel gek. Uiteindelijk zullen deze ontwikkelingen iedere bedrijfstak op zijn kop zetten, alleen ontbreekt vaak de urgentie. Bij autofabrikanten ontbreekt deze urgentie niet. Die weten allemaal dat over 10 en 25 jaar alle auto’s zelfrijdend zijn en de noodzaak om er eentje zelf te bezitten is verdwenen. Ze weten allemaal dat hun huidige model eindig is. De vraag is eerder ‘wanneer’ dan ‘of’. Geen twijfel over mogelijk.

  1. Klanten bepalen zelf wel welke dienst ze willen afnemen

Bij taxi’s op een ouderwetse standplaats móét je bijna wel de voorste nemen, tenzij je zin hebt in boze chauffeurs. Bij Uber krijg je weliswaar ook een chauffeur aangewezen, maar die kun je veel makkelijker weigeren. „Klanten hebben blijkbaar behoefte aan meer keuzevrijheid”, zegt Aris. „Als je klanten in een keurslijf dwingt, of ze een verplichte bundeling van producten voorschotelt, bied je concurrenten ruimte.”

Neem televisieabonnementen: consumenten kunnen vrijwel alleen complete pakketten bestellen. Dat is bijvoorbeeld ook zo bij kranten. Waarom zou een krantenlezer nog een abonnement nemen waarbij hij verplicht meebetaalt aan al die stukken die hij toch niet leest? Je ziet dat een start-up als Blendle in dat gat springt door losse artikelen aan te bieden.

Het is ook te zien aan het recente plan om studenten op universiteiten losse vakken te laten volgen en per cursus te laten betalen. In plaats van het keurslijf van het gehele pakket, bepalen klanten liever zelf wat ze willen hebben. „Dus als je voor je omzet erg afhankelijk bent van dat keurslijf, dan heb je een probleem”, zegt Aris.

Martijn: Een Uber chauffeur weigeren kost geld, dat doe je niet zo snel. Daarnaast is de informatie die je krijgt zo minimaal, dat je ook geen data hebt om die keuze op te baseren. Tenzij je principieel niet meer in een Volkswagen wilt rijden ;-).

Interessant is dat de klanten meer keuzevrijheid krijgen en uit hun keurslijf komen, maar de aanbieders wel meer en meer in deze rol terecht komen. Dit geldt vooral voor de makkelijk inwisselbare rollen: chauffeur, schoonmaker, etc. Je ziet ook dat deze platformen deze aanbieders alle eigen identiteit afnemen: je hebt geen naam, maar je bent een Helplinger (schoonmaker), krijgt een t-shirt van de zaak en vaak word je in de aanmeld procedure via slimme systemen getraind in het gewenste beeld dat zij (als merk) willen uitstralen.

Ik ben groot voorstander (en gebruiker) van het consumeren van losse delen in plaat van abonnementen en pakketten. Wel is het belangrijk om na te blijven denken over het grotere plaatje. Want daar zijn wij als individu niet altijd even goed in.

  1. Je moet niet alles zelf willen bezitten

Uber is het grootste taxibedrijf ter wereld, maar bezit geen enkele taxi. Ook Airbnb heeft geen eigen kamers. Hun kracht is hun digitaal platform waar vraag en aanbod elkaar vinden, en dat ze op een slimme manier een grote groep gebruikers en aanbieders aan zich hebben weten te binden.

Succesvolle start-ups maken gebruik van de overvloed van spullen en hulpbronnen die mensen en bedrijven al hebben. „De digitale economie heeft heel andere wetten dan de analoge economie, waar schaarste een veel grotere rol speelt”, zegt Aris. Toegang tot diensten en producten wordt belangrijker dan het bezit ervan.

Dat verklaart ook de snelle groei van Uber en Airbnb: zij zijn zeer flexibel zonder al die grote investeringen die nodig zouden zijn om een hele taxivloot op te bouwen of overal kamers neer te zetten. Het is zo ook veel makkelijker om uit te breiden naar een ander land.

Wel is hierbij een kanttekening te plaatsen: de nieuwe bedrijven maken zich afhankelijk van anderen die wel investeren. „Dat kan op termijn uitgroeien tot een nadeel”, zegt Aris. „Bijvoorbeeld als chauffeurs een blok gaan vormen tegen Uber.”

In de bestseller Exponential Organizations (2014) , over het geheim van zeer snelgroeiende bedrijven, komt ook aan bod dat zij vaak vrijwel uitsluitend flexibel personeel hebben: zo min mogelijk mensen in vaste dienst. Dat geldt ook voor Uber: alle chauffeurs zijn freelancer.

Martijn: Het voorbeeld van Uber als grootste transport onderneming en Airbnb als grootste tijdelijke accommodatie verschaffer ter wereld zonder eigen auto’s kom je in bijna ieder verhaal tegen. Toch heb ik hier wat kanttekeningen bij.

Ten eerste worden er veel appels met peren vergeleken. In veel presentaties zie ik voorbij komen dat Airbnb met een x-aantal listings groter is dan een hotelketen met een x-aantal kamers. Er wordt dan wel vergeten bij te zeggen dat die kamer op Airbnb misschien gemiddeld 4 weken per jaar beschikbaar is en een hotelkamer 52 weken. De cijfers blijven indrukwekkend, maar worden soms iets te bombastisch weergegeven.

Het feit dat Uber zelf geen eigen auto’s bezit, betekent niet dat deze auto’s niet worden geproduceerd, slijten, moeten worden gerepareerd, mensen dood rijden, etc. Het enige dat dit zegt is dat de verantwoordelijkheid en het risico niet bij Uber ligt, maar bij de aangesloten chauffeurs. In hun communicatie wordt de opbrengst voor de chauffeurs aangegeven in korte termijn verdiensten (met 1 ritje verdien je 10 euro) en lange termijn verdiensten (je kunt tot 1800euro per maand verdienen). Maar waar een groot transportbedrijf mensen in dienst heeft die berekeningen doen rondom risico’s, werkelijke kosten, etc. kan de individuele chauffeur dit niet. Mijn vraag is dan ook: kan een individu de werkelijke kosten (en dus ook de werkelijke verdiensten) goed inschatten? Ik denk het niet.

  1. Concurrentie komt niet meer uit dezelfde hoek

De gevleugelde uitspraak software is eating the worldvan Marc Andreesen, een topinvesteerder uit Silicon Valley, is alweer bijna vijf jaar oud. En toch laten bedrijven zich soms nog verrassen door concurrenten uit de softwarehoek. Ook de taxi- en de hotelbranche hielden zich blijkbaar te veel bezig met andere hotelketens en taxibedrijven

„De financiële sector is een interessant voorbeeld van hoe snel het zal gaan met concurrentie uit de IT-hoek”, zegt Aris. „Die dacht heel lang veilig te zijn door allerlei regulering. Maar juist daar zie je nu hoe snel allerlei nieuwe digitale bedrijven onderdelen van hun dienstverlening aanvallen.” Uit diverse enquêtes onder topbankiers blijkt dat zij inmiddels banger zijn voor concurrentie van technologiebedrijven en start-ups dan van andere banken. Bij meer bedrijfstakken dringt het besef inmiddels door dat de concurrentie uit een heel andere hoek kan komen.

Martijn: ik heb dezelfde ervaring. Hoewel we IT niet moeten verheerlijken. Uiteindelijk gaat het om de oplossingen die je biedt aan jouw klanten. Ondersteund door techniek. Niet leidend.

Wat betreft de bankiers: ik begrijp die angst. Die zit ‘m vooral ook in de vraag: “hoe ga ik een dergelijke transitie in mijn bestaande organisatie voor elkaar krijgen en de balans vinden tussen korte termijn ballen in de lucht houden en lange termijn bestaansrecht”. Een interessante vraag.

  1. Onderschat de huidige machthebbers niet

Tegelijkertijd moeten de marktleiders niet onderschat worden. Die zijn conservatief. Uber kreeg dit jaar in Nederland het deksel op de neus. De dienst Uberpop, waarmee particulieren zonder vergunning zichzelf als taxichauffeur konden aanbieden, bleek niet bestand tegen de aanhoudende druk van de taxilobby, de verkeersinspectie en de Taxiwet. Uber stopte met Uberpop, na tonnen aan boetes en een aantal invallen van zowel de inspectie als justitie.

„Als er geen gelijk speelveld is, als er voor de één andere regels gelden dan voor de ander, dan kun je dit soort weerstand verwachten”, zegt Aris. Soms gelden voor nieuwelingen op de markt andere regels, of trekken de nieuwelingen zich weinig van regels aan. „Als dat zo is, zullen die marktleiders sterker staan om terug te vechten of de autoriteiten in te schakelen.”

Uit de ervaringen van Uber blijkt in elk geval dat ook ontregeling gewoon aan regels is gebonden. En dat de marktleiders zich echt niet zomaar gewonnen zullen geven.

Martijn: bestaande organisaties worden veelal vergeleken met een diesel. Het duur even voordat ze op gang komen, maar als dat eenmaal zover is….. Ik verwacht dat we in 2016 de eerste reacties van bestaande organisaties gaan zien op de ontwikkelingen rondom start- en scale-ups.

Ook zullen de regelgevers mee moeten met de snelheid van de tijd. En op zoek gaan naar een manier om aan de ene kant een level playing field te creëren, zonder de innovatie om zeep te helpen. En dat is best lastig. Ik volg de discussies rondom regelgeving van het thuisrestaurant platform Airdnd.nl. De vraag is: vanaf wanneer ben je een professioneel restaurant en moet je aan alle regels voldoen? Bij een inkomen van 1.000euro per jaar? Vanaf 10 etentjes per jaar? En als die kok zich dan aan alle regels moet houden, dan is de kok ondernemer en mag hij of zij ook genieten van de voordelen van het ondernemerschap: BTW vorderen, afschrijving van apparatuur, etc. Dat zou een administratieve soep worden waar niemand bij gebaat is.

Het tegenwerken en politieke spel inzetten zie ik zelf meer als een vertragingstechniek. Even tijd rekken om te ontdekken hoe zelf om te gaan met deze nieuwe kansen. Want zo moeten deze ontwikkelingen worden gezien: kansen om op een nieuwe manier jouw klanten (en nieuwe klanten en markten) beter te bedienen. De snelheid is gelijk een mooie stok achter de deur om niet te verslappen. Of zoals iemand onlangs op Twitter zie: “Change has never happened this fast before, and it will never be this slow again.”

Decentralised solutions are, if you ask me, one of the most exciting AND hard to explain and understand developments in the collaborative economy. In Tel Aviv I talked to Matan Field, co-founder of Backfeed. Backfeed is a governance-enabling protocol layer on top of the blockchain, enabling spontaneous, large-scale collaboration for the emerging DCO community.

Check the interview on video or audio below.

 

 

by -

Wie mij beter kent of op Twitter volgt weet dat ik af en toe iets vind van de berichtgeving rondom ontwikkelingen in de collaborative ‘crowd’ economy in de breedste zin van het woord. Gisteren verscheen in de Telegraaf het artikel ‘Fraude bij crowdfunding’, met als onderkop: ‘Financiële risico’s vergelijkbaar met kopen in webshop’. De introductie wekte mijn nieuwsgierigheid en na het lezen van het stuk kwamen er alleen maar meer vraagtekens en kanttekeningen bij. Naar mijn mening iets te eenzijdig. Ik kon het niet laten om vanuit Tel Aviv, waar ik momenteel een serie interviews doe, mijn reactie te delen. Zie hier onder het artikel, inclusief mijn aanvullingen.

Noot:
Voordat je verder leest is het goed om te weten dat er grofweg gezien 4 smaken crowdfunding bestaan: donatie, voorverkoop/voorfinanciering, lening en aandelen. Tijdens het schrijven van het boek ‘Crowdfunding de hype voorbij’ heb ik met de 3 co-auteurs veel discussie gehad of het voor het publiek duidelijk genoeg is om deze 4 varianten allemaal onder de ‘crowdfunding’ paraplu te scharen of dat het verstandig is om deze op te splitsen in ‘crowdfunding’ voor donatie en voorverkoop en ‘crowdfinancing’ voor lening en aandelen. Simpelweg omdat de dynamiek, discussie en risico’s rondom donatie en voorverkoop op veel vlakken compleet anders is dan bij lening en aandelen.

Dan nu naar het artikel.

Fraude bij crowdfunding
Financiële risico’s vergelijkbaar met kopen in webshop

Het frauderisico bij crowdfunding waarbij particulieren een klein bedrag steken in een nieuw hightech project, is vergelijkbaar met het kopen in een webshop.

De kans bestaat dat de ontvanger er met het geld ervandoor gaat zonder ooit een product te leveren. Beperkt is het aantal gevallen van oplichting waarbij elke intentie ontbreekt om een project serieus van de grond te tillen.

Dit stelt Simon Douw, directeur van het crowdfundingadviesbureau Douw&Koren. Toch kan het misgaan. Bij internationale websites als Indiegogo en Kickstarter wil er nog wel eens iets doorglippen. Daar starten dagelijks enkele honderden nieuwe campagnes. De controle daarop houdt niet over. Sommige initiatiefnemers slagen erin geld op te halen zonder ooit een kantoor van Indiegogo of Kickstarter te hebben bezocht. Veel gaat digitaal, waardoor het menselijk contact ontbreekt. Beide sites hebben bijvoorbeeld ook geen vestiging in de Benelux.

Martijn: zoals je kunt lezen gaat het hier om de ‘voorfinanciering’ variant van crowdfunding. Ook wil ik stellen dat ‘donatie’ ook onder dit verhaal valt. Immers: je doneert geld om iets mogelijk te maken. Wanneer dit niet gebeurt, dan wordt hetgeen waar jij geld voor hebt gegeven niet gerealiseerd. Duidelijk is wel dat het in dit stuk niet om lenen en aandelen gaat.

Geheel onduidelijk is op basis waarvan de uitspraak van het risico op het niet nakomen van de afspraak (mijn vrije vertaling van het hierboven gebruikte woord ‘fraude’) bij (deze variant van) crowdfunding gelijk is aan het risico van iets bestellen bij een webshop. Ik heb even een rondje langs de crowdfunding velden gemaakt en bij niemand is een dergelijk onderzoek bekend. Duidelijk is dat deze stelling niet klopt. Immers: bij het kopen van een item in een webshop is het fysieke product al geproduceerd, door andere gebruikers getest en beoordeeld en vindt de levering een dag tot een paar dagen na de bestelling plaats. Oftewel: het risico is beperkt. Daarnaast bestaat er een keurmerk voor webshops met een vereniging hier achter die belast is met het garanderen van de kwaliteit voor de kopers.

Bij voorfinanciering crowdfunding is dat een heel ander geval. Veel mensen noemen deze term ook wel ‘voorverkoop, wat een feitelijk onjuiste benaming is. Je geeft geld aan de projecteigenaar en deze zegt toe dat hij zijn best zal doen het beloofde product tegen de gepresenteerde kwaliteit binnen een geschatte productietermijn te leveren . En daar gaat wel degelijk een hoop mis. Dronewatch.nl maakte onlangs een inventarisatie van de status van de gecrowdfunde drones. Van de 7 gecrowdfunde drones is er slecht één daadwerkelijk al geproduceerd. Waarvan niet bekend is wat de daadwerkelijke kwaliteit van het geleverde product is. De andere 6 drones zijn vertraagd en bij enkelen is onbekend of deze überhaupt nog geleverd worden. Zie ook deze uitzending op RTLZ over de risico’s rondom crowdfunden.

Interessant is de passage: ‘Sommige initiatiefnemers slagen erin geld op te halen zonder ooit een kantoor van Indiegogo of Kickstarter te hebben bezocht.’. Ik kan je zeggen: geen enkele initiatiefnemer komt zomaar over de drempel bij deze partijen. Waarom? Een platform als Kickstarter pakt een marge van 5% over het opgehaalde bedrag bij een geslaagd project. Bij een project van 5.000euro praat je over 250 euro commissie. Via Kickstarter haalden in 2014 22.252 projecten succesvol financiering op. Wanneer je de niet succesvolle campagnes hierbij optelt dan kom je op een veelvoud van dit aantal uit.

Met deze aantallen en marges snappen jij en ik ook wel dat je voor dat bedrag niet al te veel handwerk van een platform mag verwachten, laat staan een fysieke ontmoeting. Een crowdfunding platform is een online tool. De passage ‘veelal digitaal, waardoor het menselijk contact ontbreekt’ is natuurlijk iets van deze tijd. Ik heb ook nog nooit iemand van Bol.com, Marktplaats.nl of Booking.com ontmoet. Welkom in de 21ste eeuw.

Ook waarschuwingen worden af en toe in de wind geslagen. Toen de geldinzameling voor de Fusion Micro Supercomputer op Indiegogo begon, werd de site van alle kanten gewaarschuwd. Het leek velen onmogelijk om voor 55 dollar ’s werelds kleinste supercomputer te kunnen leveren. Bij pc-kenners gingen allerlei alarmbellen rinkelen. Het bedrijfje uit Las Vegas kon ook niets laten zien behoudens wat met Photoshop in elkaar geflanste plaatjes. Indiegogo liet het project gewoon doorlopen. Het geld werd overgemaakt naar de initiatiefnemer. Die Amerikaan is al weken onvindbaar, ook voor het marketingbedrijf dat de campagne begeleidde. Voor Sjoerd Brandsma (CycloMedia) was van begin af aan duidelijk dat dit niet kon kloppen. Toch stapten zo’n 1500 mensen in het project. Die kunnen nu allemaal naar hun geld fluiten. Indiegogo weigert hier verder iets aan te doen. Volgens Kickscammed.com maakt Indiegogo zelfs geen aanstalten de commissie terug te storten. Ook Kickstarter, dat als zorgvuldiger te boek staat, zit met een lelijke affaire in de maag. Onlangs is besloten een onderzoek te laten doen naar de ondergang van het mislukte minidroneproject Zano. Nooit eerder nam Kickstarter een fiasco onder de loep. Ook zijn eigen rol wordt daarbij betrokken. Kickstarter ziet in dat meer transparantie nodig is.

Martijn: dit is een mooie aanzet voor een discussie rondom de vraag: welke verantwoordelijkheden mag je van een platform verwachten en hoeveel verantwoordelijkheden mag je van iemand die zijn of haar geld stopt in crowdfunding verwachten.

Ik begin met de platformen. Een platform is eigenlijk niets anders dan een marktplaats. Laten we de marktplaats letterlijk nemen en Kickstarter als organisator van de markt zien. De organisatie van een markt creëert een plein vol met marktkramen. Hiermee faciliteren zij anderen (de marktkoopmannen) om hun handel aan de man te brengen. De logistiek, vergunningen, maar ook de marketing en branding van de markt als geheel wordt verzorgd door de organisatie. Marktkoopmannen maken gebruik van de geboden faciliteiten om hun waar aan de man te brengen. Sommige klanten komen specifiek voor die ene marktkoopman en anderen vertrouwen op de reputatie van de organisatie dat deze er voor zorgt dat de juiste kwaliteit marktkoopmannen hun waar aanbieden. Bemoeit de organisatie zich letterlijk met de producten die op de schappen liggen? Nee: de selectieprocedure moet er voor zorgen dat de rotte appels geen toegang hebben, via steekproeven wordt er controle uitgeoefend en klachten van de bezoekers worden behandeld en waar nodig wordt actie gevoerd. Het is onmogelijk om alles wat er gebeurd te controleren, zeker wanneer de marge die je maakt als organisator minimaal is. Kickstarter is een markt met jaarlijks meer dan 80.000 kraampjes en 3,3 miljoen klanten uit bijna alle landen in de wereld. De discussie hoeveel verantwoordelijkheid je mag verwachten van een marktplaats is er eentje die in de toekomst verder moet worden onderzocht, maar dat je een persoonlijke behandeling mag verwachten, dat is bij dit soort marktplaatsen een utopie.

Van de consumentenkant mag je wat mij betreft ook meer verantwoordelijkheid verwachten. Consumenten zien platformen als Kickstarter als een winkel, maar zoals eerder gezegd: dat is het niet. In 2012 publiceerde Kickstarter een interessante blog ‘Kickstarter is not a store’. waarin zij uitlegt hoe de vork in de steel zit. Er zit dus altijd een risico verbonden wanneer jij je geld in crowdfunding stopt. Belangrijk is dat jij als consument ook zelf nadenkt en onderzoek doet en niet klakkeloos een mooi marketing verhaal geloofd.

Interessant is trouwens ook de term ‘fraude’ in dit artikel. Bij fraude denk ik aan opzettelijk misleiden, maar wanneer jij als project eigenaar jouw huiswerk slecht doet en hiermee het risico voor de consumenten vergroot, ben je dan ook niet indirect aan het frauderen? Wie bepaalt uiteindelijk dat een afspraak bewust of onbewust (door onbekwaamheid) niet wordt nagekomen.

Voor Simon Douw blijven dit echter incidenten. Ook bij webwinkels gaan de initiatiefnemers soms met het geld ervandoor. Overigens zijn Indiegogo en Kickstarter met allerlei veiligheidssystemen, waaronder fraudesoftware, bezig. Ze snappen ook wel dat hun bedrijfsmodel staat en valt met het vertrouwen van het publiek. Probleem is de enorme schaal waarop Indiegogo en Kickstarter opereren. Bij Indiegogo lopen meer dan 7000 campagnes tegelijk. Maandelijks komen er 15 miljoen bezoekers langs. Zulke grote aantallen maken het moeilijk individuele vragen te beantwoorden. De branchevereniging Crowdfunding Nederland verplicht haar leden tot een klachtenprocedure. De grote internationale sites moeten het meer hebben van het zelfregulerend vermogen van de ’crowd’. Toch is het oppassen geblazen. Douw: „Hun merk en imago zijn supergevoelig.”

Martijn: Zie mijn eerder uitspraak over ‘kickstarter is not a store’. De uitspraak ‘ook bij webwinkels gaan de initiatiefnemers soms met het geld ervandoor’ slaat kant noch wal. Een vergelijking die nergens op is gebaseerd.

Het aanhalen van de branchevereniging Crowdfunding Nederland past in mijn beleving niet binnen de context van dit artikel. Bij deze vereniging, waar Simon overigens directeur van is, zijn alleen crowdfinancing platformen aangesloten. De vereniging houdt zich naar eigen zeggen bezig met “crowdfunding als instrument voor aanvullend financieren en investeren” en richt zich alleen op bedrijfsfinanciering. Crowdfinancing platformen hebben te maken met een heel ander soort verantwoordelijkheden én reguleringen, waar het formaat of het aantal landen waar het platform actief is niets mee heeft te maken. Met een uitspraak als “Zulke grote aantallen maken het moeilijk individuele vragen te beantwoorden.” kom je bij crowdfinancing in Nederland niet weg, je zult ten aller tijden de regels moeten volgen. Los van het feit dat er in Nederland geen platform bestaat (en waarschijnlijk ook nooit zal bestaan) die dergelijke aantallen krijgt te verwerken.

Naar mijn mening wordt in deze laatste alinea de schijn gewekt dat de uitspraak over het verwaarloosbare risico rondom crowdfunding een uitspraak is namens de directeur van de branchevereniging. En dat lijkt mij, met alle discussies rondom AFM regulering, geen goede zaak.

Al met al dus belangrijk om goed op te blijven letten waar we het met zijn alleen exact over hebben. Onduidelijkheid of onvolledigheid in communicatie kan en zal het vertrouwen in deze mooie ontwikkelingen schaden. En dat zou zonde zijn.

Noot: dit artikel is geschreven door een journalist die stukken schrijft over ICT in De Telegraaf. Dus niet over economie. Dit is interessant om het artikel in de juiste context te kunnen plaatsen.

by -

Tijdbanken zijn zo oud als de weg naar Rome en wanneer je het hebt over de ontwikkeling van platformen, dan zijn deze tijdbanken een interessante ontwikkeling om je in te verdiepen. Op Shareable.net las ik onlangs het artikel ‘How to share time through timebanking‘. Hierin word verwezen naar een video interview met professor Edgar Cahn, oprichter van TimeBanks.

Interessant is het fragment dat start op 1:40. Ik quote:

“Price values scarcity. The more scarce something is, the more valuable it is. That means we devalue what is universal. What defines us as human beings. Our ability to care for each other, to help each other.”

Bij tijdbanken is ieder uur gelijk. En wordt geen rekening gehouden met schaarste. Hij vervolgt:

“So this is an attempt to say: my hour equals your hour whether you’re a doctor, a plumber, a lawyer, whatever. It starts from the premise that all human beings got something very special to contribute and there is a world of value, other then market value.”

Interessante food4thought in de zoektocht naar de nieuwe manier van denken in waarde en schaarste die ik met jou wilde delen. De hele video is hier te bekijken:

Waar de aandacht in media veelal gaat naar de exponentieel groeiende platform initiatieven, vergeten we soms dat er ook al een aantal goed draaiende platformen in ons dagelijkse gewoonten zijn geïntegreerd. Platformen die soms al meer dan tien jaar bestaan, niet exponentieel maar wel gestaag groeien en die ieder jaar netjes zwarte cijfers draaien. Iets wat veel platformen nog maar moeten zien waar te maken.

Vorige week was ik op bezoek bij het (tot voorkort) oer-Hollandse Werkspot, waar ik uitgebreid met CEO Ronald Egas sprak. Vorig jaar tijdens een Tegenlicht Meetup over de deeleconomie waren we elkaar al tegengekomen. Nu een van de vraagstukken die mij bezighoudt ‘arbeid in de platform economie’ is, was het hoog tijd voor een uitgebreider gesprek. Werkspot.nl is een platform waar je jouw klus omschrijving kunt plaatsen en waar 7.000 professionele klusjesmannen (ja, vooral mannen) jou een aanbod kunnen doen. Check de video van het interview hier onder, beluister de podcast en/of lees mijn meest interessante bevindingen en gedachten hier onder.

 

Geen schijnconstructies
Op dit moment zijn er internationaal veel discussies en enkele rechtzaken rondom de vraag welke verantwoordelijkheden een platform moet nemen voor de mensen die via het platform hun geld verdienen. De platformen willen, vanuit winst- en groeiperspectief gezien ‘begrijpelijk’, zich niet profileren als werkgever. Bij een platform als Uber is dit een interessante discussie. Immers: de chauffeur is in veel gevallen volledig afhankelijk van het platform, maakt zich afhankelijk door investeringen te doen (lees: koopt auto) waar hij of zij enkele jaren aan vast zit en is hierdoor extra kwetsbaar door de eenzijdige aanpassingen aan de voorwaarden die het platform doorvoert. Ik vermoed dan ook dat de discussie rondom (de verschraling van de) arbeidsrelaties via platforms de komende jaren een hot topic gaat worden. In lijn met de over het algemeen steeds flexibeler wordende arbeidsmarkt. Deels gestuurd door de enorme kosten en risico’s die het werkgeverschap met zich meebrengt.

Werkspot zie ik als uitzondering in deze discussie: klusjesmannen komen alleen op het platform met een KvK inschrijving (dus geen fiscale uitdagingen) en Werkspot is in de meeste gevallen een (kleine) aanvulling op de huidige business, waardoor er geen grote afhankelijkheid van het platform ontstaat. Ik zie Werkspot dan ook eerder als een slimme marketing en sales tool voor klusjesmannen die over het algemeen hun tijd liever besteden aan hetgeen zij goed zijn zijn: klussen.

Verdienmodel staat nog in de kinderschoenen
Op dit moment hebben zo’n 7.000 klusjesmannen zich aangesloten bij Werkspot. De klussen die zij via dit platform binnen halen zijn volgens Ronald over het algemeen een laatste aanvulling op hun reguliere werkzaamheden. Klussers betalen Werkspot een jaarlijkse fee om een x-aantal reacties te mogen geven op klusaanvragen van consumenten. Hiermee zitten zij helemaal vooraan in het proces van een aanvraag. De prijs voor een antwoord is relatief laag, aangezien zij geen idee hebben wat de kwaliteit is van de aanvraag en hiermee ook geen beeld hebben wat de uiteindelijke verdiensten zijn van de klusser. Ik denk dat wanneer zij meer energie stoppen in het aanleveren van kwalitatief hoge prospects aan hun klussers de prijs per lead ook flink omhoog kan. Of dit uitgaand van een gelijk aantal klussers onder de streep een beter resultaat voor Werkspot valt te bezien, maar ik denk dat deze strategie uiteindelijk zal zorgen dat het aantal klussers dat zich aanmeldt zal stijgen. Immers: nu is het voor klussers best een gedoe om klussen te scoren via Werkspot. De consument plaatst een (door gebrek aan kennis slecht of onvolledig omschreven klus) op het platform. Vervolgens reageren een stuk of 5 klussers op de aanvraag. De kans dat jij de klus krijgt is dus 20 procent. Waarbij ik het risico dat de klant de klus uiteindelijk uitstelt of toch via een andere weg (legaal of illegaal) laat oppakken voor het gemak negeer. De vraag is hoeveel moeite je doet om een goed voorstel te schrijven bij zo’n laag succespercentage. Op het moment dat Werkspot er voor kan zorgen dat de leads beter aansluiten op de klusser en wellicht ook werk uit handen nemen dat niet alleen de prijs per lead omhoog kan, maar dat het platform ook aantrekkelijker wordt voor een grotere groep klussers. Want uiteindelijk zit hier volgens Ronald dan ook de bottleneck in de groei van het platform. Aanvragen zijn er genoeg, maar het aanbod van klussers blijft traditioneel achter.

Van losse crowd naar community
Dit brengt mij ook tot het punt waarin Werkspot nog sterker van losse ‘klus crowd’ door moet groeien naar een community. Om de toegevoegde waarde voor de klussers groter te maken door bijvoorbeeld naast ‘sales en marketing gedoe’ ook andere oplossingen aan te bieden aan de klussers. Ik denk hierbij aan pensioenvoorziening, verzekering, collectieve inkoop en misschien wel een intern deelplatform. Hoe groter de toegevoegde waarde van Werkspot in het dagelijks leven van de klusser, hoe aantrekkelijker het platform wordt voor bestaande en potentiële klussers. Goed voor de lange termijn, maar ook voor de eigen portemonnee. Belangrijk hierin is wel dat ze samen gaan werken met de juiste partners die de waarden van Werkspot delen en niet het wiel zelf opnieuw gaan uitvinden. Dus: focus op de kern en zoek de beste partners die je kunt vinden. Zo kun je op korte termijn vaart maken én bouwen aan een duurzaam model voor de toekomst.

Corporates, startups en de crowd. Er zijn veel voorbeelden van niet succesvolle pogingen om deze drie werelden bij elkaar te verenigen. De corporate is te log en te traag, de startup te snel en neemt te veel risico’s en de crowd wil simpelweg niet luisteren en heeft andere prioriteiten. Toen ik hoorde dat er een telefoon- en bankbedrijf is die dit wel voor elkaar lijkt te hebben was mijn interesse gewekt. Op hetCrowdDialog congres in Helsinki sprak ik buiten op straat (binnen was te klein, warm, donker en rumoerig) Andreas Pages: hoofd crowfunding bij Swisscom. 

We praten over twee praktijkcases. De eerste gaat over crowdfunding: Swisscom heeft een SaaS crowdfunding platform gebouwd waarmee die klanten kunnen gebruiken om een eigen crowdfunding platform te starten. Andreas is verantwoordelijk voor dit project. Tweede case gaat over Swisscom Friends: een platform waar klanten van Swisscom andere klanten tegen een vergoeding helpen bij het oplossen van technische problemen. Check de video van het interview hier onder, beluister de podcast en/of lees mijn meest interessante bevindingen en gedachten hier onder.


En bank als facilitator en aanjager
Swisscom is met deze projecten duidelijk aan het zoeken naar haar rol in de toekomst. Ik vind de gedachte van het runnen van je organisatie als platform erg interessant. In deze twee voorbeeldcases doet Swisscom een stapje achteruit en stapt in de rol van facilitator en aanjager. Facilitator: haar stakeholders (particuliere en corporate klanten) tools en een platform bieden om zelf met elkaar zaken te doen zonder tussenkomst van het bedrijf. Aanjager: het voortouw nemen, zeker in het geval van de crowdfunding case, in het volwassen worden van een markt.

Niet rendabele activiteiten uitbesteden en tóch een relatie opbouwen
Onlangs zat ik bij een sessie bij ABN AMRO  in een discussie over crowdfunding. Op een gegeven moment vroeg ik: “vanaf welk bedrag is een lening aan een onderneming winstgevend?”. Uiteraard kreeg ik antwoorden in de trend van “dat hangt af van…blablabla”. Dus ik vroeg: “helder: maar even met een hele natte vinger?”. Uiteindelijk kwamen we uit op een bedrag van twee ton. Een lening onder de twee ton (grof geschat, maar in dit geval ook niet relevant) kost de bank dus geld. Waarom faciliteert een bank haar klanten dan niet met crowdfunding/crowdinvesting door samen te werken met andere platformen en hier in te investeren? (in de breedste zin van het woord). Dat is wat Swisscom eigenlijk ook doet. De klant faciliteren om zelf geld op te halen voor bedragen die voor hun eigenlijk niet interessant zijn (lees: verliesgevend), maar wel de relatie behouden voor de tijden dat de klant wél een interessante (lees: winstgevende) vraag heeft. Ook bij het helpdesk verhaal zal dit het geval zijn. De organisatie die je op moet zetten om de onderkant van de support markt te bedienen en de kosten die dit met zich meebrengt zijn enorm. Door de klanten te faciliteren met een platform creëer je een win-win-win situatie.

Uitgaven en investeringen binnen de grenzen houden

Door Zwitserse investeerders de mogelijkheid te geven hun geld in Zwitserse bedrijven te investeren en tegelijkertijd dus nationale ondernemingen een extra keuze in de financieringsmarkt te geven wordt het geld letterlijk binnen de grenzen gehouden en een gesloten ecosysteem gecreëerd. Klinkt misschien wat nationalistisch, maar als je naar de crowdfunding markt kijkt zoals deze nu is, dan is dit eigenlijk bijna overal het geval. Er zijn nog weinig platformen waar cross country wordt geïnvesteerd.

Conclusies
Al met al vindt ik het interessant op welke manier Swisscom bezig is om haar rol in de toekomst te onderzoeken door dingen te DOEN. De reden van het succes van Swisscom is volgens mij:

1. Ze accepteren de bekende cliché’s dat corporates bureaucratisch en log zijn en startups snel en risicovol en zoeken naar een modus om hier mee om te gaan.

2. De teams krijgen ruimte om zich tussen de organisatie en de buitenwereld te begeven en zo als ‘tolk’ hun werk kunnen doen.

3. Dat de naam Swisscom aan de initiatieven wordt verbonden, ook in initiatieven waar wordt samengewerkt met startups, dwingt hen om hetgeen wat ze doen direct op een bepaald niveau neer te zetten. Misschien niet bevordelijk voor de snelheid -maar wel belangrijk om zowel extern en misschien nog wel belangrijker: intern- te laten zien dat het serieus is.

4. Door een voortrekkersrol in de markt te nemen, ook rondom regulering, zorgen zij er niet alleen voor dat ze afhankelijk zijn van reactieve beleidsvorming van de overheid, maar ook dat zij waarden toevoegen voor andere crowdfunding startups. Hierdoor zijn zij een ‘gelijkwaardige’ partner (they are one of us) in de jonge industrie.

5. In alles wat zij doen moet de businesscase sluitend zijn. Dit voorkomt ook (hopelijk) dat er innovaties puur als marketing instrument worden ingezet, zonder inhoudelijk waarde te creëren voor de organisatie op lange termijn. Uiteraard brengt de voortrekkersrol veel positieve aandacht met zich mee, maar dat is dan ook meer dan verdiend. Dit is dan ook het resultaat van in de buitenwereld innoveren en kan natuurlijk ook een keerzijde hebben: als het mis gaat dan wordt je aan de schandpaal genageld. Dit is dan ook een reden dat veel organisaties innovaties niet onder eigen naam doen. Een startup mag in de publieke opinie op zijn bek gaan. Een groot merk niet. Zeker niet als dat grote merk o.a. een bank vertegenwoordigd.

Benieuwd ben ik naar hoe zij deze innovaties die zich aan de rand van de dienstverlening afspelen gaan gebruiken om de organisatie in de kern te veranderen. Want of ze willen of niet: dat zal uiteindelijk moeten gebeuren. Daar ligt naar mijn mening een corporate de grootste uitdaging. Ik zie veel corporates mooie (en veelal ook minder mooie) innovaties doen, maar vaak is dit niet meer dan een mooi marketing verhaal (kijk: zij zijn innovatief/werken samen met samenleving en startups/staan open om te veranderen). Dat is goed voor de korte termijn, maar dan word je op lange termijn nog steeds keihard ingehaald. De manier waarop Swisscom het voor elkaar krijgt om innovaties van de tekentafel naar de praktijk te brengen én de manier waarop geeft mij in ieder geval een goed vertrouwen.